Joyriden… Ode aan Danny! Vandaag was je verjaardag maat. Xx…

 In Blog

Barry en Dennis.. Voorzichtig zo min mogelijk geluid makend duw ik de oude Simca 1000 achterwaarts de carport uit. Onder de banden knerpen zand en steentjes. De wagen staat midden op straat onder het licht van een lantaarnpaal. Snel maak ik de bestuurdersdeur open. Klik. Ik duw uit alle macht met mijn schouder tegen de portiersstijl en stuur scherp naar links. Ik kijk onrustig om me heen. Als iemand me nu ziet ben ik de lul. Nog tien meter en ik ben voorbij het hoekhuis van de Familie Westra. Ik stap in terwijl de auto nog rolt. Op de tast zoek ik de sleutelbos en start. De motor slaat aan. Ik lach. In slakkentempo, weinig geluid makend, rij ik de straat uit. Op mijn horloge zie ik dat het iets voor drie is. “Goed gedaan Roy. Mooi op tijd,” praat ik tegen mezelf. We hebben afgesproken bij de Drie Ranken kerk in het midden van de wijk. Ik rij voor het huis van Dennis langs. “Zijn” auto is al weg. “Opschieten jongen!” Ik sla linksaf het verlengde van de Akkersdreef op, richting de Matenpoort en trap het gas in. In de achteruitkijkspiegel kijk ik naar mijn lachende, rode kop. Ik gil zo hard ik kan; “Jiehaaá.”
Al enkele weken scheuren we ’s nachts door onze slapende woonwijk. De Maten is een uitgestrekte nieuwbouwwijk in aanbouw in het zuid-oosten van Apeldoorn. Het is de zomer van 1976. “We”, dat zijn Barry, Dennis en ik. We weten alle drie waar de reservesleutels van de auto’s van onze ouders liggen. We zetten onze wekkers rond 03.00 uur en trekken er samen op uit. Soms slaap ik met mijn kleren aan, zodat ik meteen op weg kan. Dekbed aan de kant schuiven en opstaan. Vervolgens sluip ik op mijn sokken mijn adem inhoudend over de gang langs de slaapkamers van mijn beide zussen en moeder en daal de trap af, de woonkamer in. Ik weet welke treden los liggen en geluid maken. Drie en vijf en de een na laatste. In de middelste lade van de boekenkast liggen de reservesleutels van onze auto, een metalic blauwe Simca 1000. Het model van een Simca 1000 is precies zoals een vijf jarig kind een auto tekent. Rechttoe rechtaan met twee cirkels als wielen. Je weet wel: zon, wolken, poppetje, (met bezem handen en voeten) huis en auto. Zo’n auto. Hij is het trotse bezit van mijn moeder die na het overlijden van mijn vader haar rijbewijs opnieuw haalde en weer auto ging rijden. De deur kruk van de hal kraakt iets. Nu de haken van de voordeur af en zachtjes naar buiten sluipen de donkere nacht in.

Het begon met Barry en mij. Barry wilde leren autorijden. Ik had het al geleerd van mijn moeder in de bossen rond Hoenderloo. We besloten ’s nachts te gaan oefenen in de auto van Barry’s vader, een joekel van een Ford Granada bestelbak. Om kattenkwaad uit te halen had ik altijd maar een kleine aansporing nodig. Barry, een bolle XXL jongen met donkere ogen, zwart golvend haar in een rock en roll kuif en een dubbele ijzeren beugel met plaatjes was brutaal, bijdehand en zijn leeftijd ver vooruit. Voor autorijden had Barry niet zoveel aanleg. Hij reed met horten en stoten ook nadat ik vaak had uitgelegd hoe hij moest schakelen, koppelen en gas geven. Binnen een half uur reed Barry al stuiterend dwars over een vluchtheuvel rakelings langs een voetgangersstoplicht. Stoer lachend keek hij me aan alsof hij alles onder controle had. Hij had vooral moeite met schakelen in combinatie met sturen.
De derde nacht versliep ik me. Barry ging alleen op pad. Bij het omdraaien van een cassette bandje raakte hij van de weg. Langs lantaarnpalen en bosjes reed hij een helling af een vijver in. Hij kon nog net het rempedaal vinden anders was hij kopje onder gegaan. Een sleepbedrijf hielp hem uit de penarie. Hij reed snel naar huis om de auto te wassen. De wagen zat onder het slijk en krassen. Na afspoelen kon hij met was alles redelijk wegpoetsen. De vader van Barry was blij verrast in plaats van woedend toen ie zag dat zijn zoon zijn auto had gewassen, op de vroege zaterdagmorgen. 🙂

Daar is de parkeerplaats. Dennis is er; van Barry geen spoor. “Hey Joey hoest?” vraag ik. Hij noemt mij altijd Joey, ik hem ook. Hij is net zo opgewonden als ik. Met lachende kop zegt hij: “ik heb hem al even los getrokken, 160 op het kleine stuk naar het kanaal!” Joey is de snelste van ons drieën. Bij hem moet alles hard. Zijn kamer hangt vol posters van snelle auto’s en motoren. Zijn ouders hebben een blitse, net nieuwe, Datsun automaat. Dennis’ zijn echte vader stierf op jonge leeftijd. We praten er niet vaak over, maar het schept een band. Het lijkt erop dat Barry niet komt. “Zullen we bij hem thuis kijken?” vraagt Dennis.
De zilvergrijze Ford Granada staat er verlaten glimmend bij. Geen zicht van Barry. Volgende keer beter.
“Wedstrijdje doen Joey?”
“Oké.”
“Wie het eerst bij de kinderboerderij is.”
“Oké!”
We staan met de neuzen naast elkaar bij een oranje knipperend stoplicht en kijken elkaar aan. We hebben afgesproken van vijf naar nul af te tellen. Joey steekt zijn hand op, zijn vingers en duim duidelijk te zien. Hij trekt hem terug maakt een vuist en laat nu vier vingers zien. Ik zet hem in de eerste versnelling en laat de motor op volle toeren loeien. Hij trekt zijn hand weer terug en laat nu twee vingers en een duim zien. Bij twee vingers laat ik de koppeling los schieten en scheur ervandoor met piepende banden. Ik lach om mijn oneerlijke voorsprong. Ik rij door de lange flauwe, bocht van de rondweg naar het nieuwe gedeelte. Joey komt langszij terwijl we op de Eglantier rotonde afgaan. Hij houdt even in en zwaait met gebalde vuist. De afstand tussen ons is misschien een halve meter terwijl we wild slingeren. Hij geeft gas en schiet me voorbij. Op de teller zie ik dat ik honderd rij. Vlak voor de rotonde gaat Joey vol in de remmen en kan net op tijd rond komen zonder de bocht uit te vliegen. Ik volg. We scheuren de dijk over van de spoorlijn richting het achterland bij de Zutphense straat. Kwam Joey nou los van de grond? Hij blaast ver voor me uit. Ik ga zo hard ik kan, het gaspedaal tot op de bodem ingedrukt, mijn lijf vol adrenaline. We komen gelukkig geen andere auto’s tegen, want we gebruiken ook de linker baan. Ik kom aan scheuren bij de boerderij. Dennis danst naast zijn auto met lachende kop en handen in de lucht. Ik trek de handrem aan, geef een draai aan het stuur en kom slippend en gierend naast hem tot stilstand. We schreeuwen van opwinding en omarmen elkaar.
“Wwaaaaa!”
“Gefeliciteerd gozer, dat scheelde niet veel bij de rotonde.”
“Valsspeler!” zegt hij lachend.
“Ik moest toch iets doen. Die bak van jou is veel sneller.”
“Zullen we ruilen van auto?”
“Kan ik effe in die schakelbak rijden”
“Ja, goed!”
“Voorzichtig hè Joey!” Ik knik.
“Jij ook hè Joey!”
Hij is weg. Ik er achteraan. Zo, dat rijdt een stuk luxer in die grote automaat. Ik zoek een gaatje om Joey voorbij te gaan. Links en rechts gooit hij de deur dicht. Bijna tik ik zijn bumper aan. Ik moet rechtop zitten om over het einde van de motorkap heen te kunnen kijken en vlieg bijna de eerste scherpe bocht uit. Zigzaggend door de wijk scheuren we langs Barry’s vijver. Wat heeft die gozer een mazzel gehad. Overal zie ik struiken en lantaarnpalen.
Na nog wat rondscheuren, ik kom Joey niet voorbij, vind ik het mooi geweest. Het is tijd om naar huis te gaan. Ik sein met groot licht dat ik terug wil ruilen. We zitten inmiddels weer op de rondweg.
“Gaaf man!” roepen we lachend in koor.
“Ik ga richting huis,” zegt Dennis.
“Ja, ik ook.”
We springen in onze eigen auto’s. Dennis rijdt weg. De Simca is afgeslagen. Ik start. In de verte zie ik twee witte auto’s op me af komen. “Politie!” flitst het door mijn hoofd. De auto slaat niet aan. “Kut!” Nog een keer. Ik geef gas en de motor loopt. Opgelucht trek ik op. Dennis rijdt in de verte de politiewagens voorbij. Ik rijd ze tegemoet. Recht voor me uit kijkend alsof er niks aan de hand is rijd ik langs ze. “Doorrijden doorrijden!” smeek ik hardop. In mijn spiegel zie ik ze remmen en meteen keren. Ik druk het gaspedaal tot op de bodem in. Daar is de kruising van de Matenpoort. Ik geef richting aan om rechts af te slaan nog hopend dat zij rechtdoor zullen rijden. Ik schakel in zijn twee en trek op zo hard ik kan. In mijn spiegel zie ik dat ze achter me aan komen. Ik schakel naar de drie en geef weer plankgas. Ze zitten vijftig meter achter me. Blauw licht flikkert door de nacht en weerkaatst in mijn spiegel. Ik doe net of ik niets zie en sla abrupt linksaf, mijn banden piepen. Er schiet een politiewagen links langs me, door de binnenbocht. Achter me, op mijn bumper, zit de andere wagen. Als ik weer voor me kijk zie ik de voorste wagen remmen. In het achterraam staat in rode letters “STOP POLITIE”. Rechts de stoep en links een vluchtheuvel. “KUT!” Ik ga vol in de remmen, maar knal toch bijna op de wagen. Ik open het portier en spring de wagen uit om weg te rennen, maar ik word gegrepen door een agent die me ruw tegen de wagen slingert. Er gaat een pijnscheut door mijn ribben en rechter schouder.
“Auw!”
“Handen op het dak!” roept de agent van achter me.
“Rustig, het is mijn eigen auto!” schreeuw ik.
Mijn benen worden ruw uit elkaar geschopt.
“Auw, KLOOTZAK!”
“HANDEN OP HET DAK EN VOOR JE KIJKEN!”
Er komt een tweede agent aanrennen met een pistool in de hand. Ruw wordt ik gefouilleerd. Mijn armen worden op mijn rug bij elkaar geduwd en geboeid. Klik klik. Ik ben de Sjaak…
Even later rijden we met zijn allen mijn straat in. Ik zit achterin de politiewagen. Een andere agent rijdt in de Simca. Tussen twee agenten loop ik onder de carpoort door. Mijn moeder verschijnt in de deuropening in haar beige badjas en kijkt me aan met natte, boze ogen. “Jongen wat doe je me toch aan?” zegt ze met huilerige stem, die dwars door me heen snijdt. Ik kijk naar de grond.
De volgende dag hoor ik dat Dennis ook gepakt is. De agenten hebben ons zien wisselen van auto. Dennis heeft een week huisarrest.
Ik krijg later een boete van vijfenzeventig gulden voor joyriden, maar geen strafblad. Er volgt een gesprek met de kinderbescherming. Ik praat met een vrouw in een deftig kantoor in het centrum. Ze vraagt me het hemd van het lijf. Ik geef antwoorden die ik denk dat ze wil horen. Even later sta ik opgelucht buiten en kan verder met mijn bijna 14-jarige leventje. Die boete betaal ik wel van mijn krantenwijk.
Later vertelde mijn moeder dat ze in de bewuste nacht naar de wc ging en zag dat de auto weg was.
Jarenlang heb ik gedacht dat ze niet dacht dat ik met de auto weg was voor ze de politie belde. Mijn oudste zus heeft me inmiddels verteld dat ze dat wel wist. De reservesleutels lagen sindsdien in ieder geval niet meer in de middelste la..

Recent Posts

Leave a Comment

een × 4 =