Nacht in de cel

 In Blog

   Als zeventienjarige jongen ging ik veel met de vrienden van mijn oudere zus om. Die jongens gingen al uit en dronken al bier.
Op een koude winteravond vieren we de verjaardag van Mario bij hem thuis. We drinken Apeldoorns slokje, een zoet kruidenbitter, in hoog tempo. De huiskamer zit vol, de muziek staat hard en het is snikheet of ligt het aan mij. De shotjes gaan er in als zoete drop. Ik, als jongste, proost met iedereen en ik voel me super. Niks geen last van de alcohol.
Er worden taxi’s besteld om de stad in te gaan. Ik loop neuriënd achter de rest aan naar buiten de sneeuw in. De kou komt als een klap in mijn gezicht. Mijn benen voelen als gekookte spaghetti. Ik wil tegen een boom leunen, maar val keihard op mijn bakkes. De echte boom staat vijf meter verderop, zie ik verbaasd. Dit was zijn dubbelganger die alleen in mijn hoofd bestond. De sneeuw beweegt als de Noordzee. Opstaan lukt niet. Ik blijf slap liggen in mijn groene legerjas en cowboy laarzen in de ijskoude golven. Waar is iedereen?
Er komen mensen langs met een hond. Ik zie ze dichterbij komen en hoor hun gedempte stemmen over me praten alsof ik er niet bij ben.
“Wat doet die hier?”
“Die gozer is bezopen.”
Ik voel een hond aan me snuffelen. Weg zijn ze. Ik ben alleen in de koude stilte.
Mijn ogen worden zwaar en ik dommel weg in een roes van misselijke duizeligheid. Alles draait. Ik wordt beslopen door een zwartgrijze, allesverdovende, ijskoude mist die me nadert tot op mijn botten en me mijn adem afpakt. Een duisternis die me opslokt. Ik adem lang-za-mer en voel de kracht uit mijn lichaam vloeien als bloed uit een diepe wond.

  Ik schrik op van een dichtslaand portier. Door de nu zwarte dichte mist zie ik twee agenten. In een reflex zet ik het op een lopen. Toch komen de mannen wandelend dichterbij. Ik loop harder. Ze staan naast me. Ik ren nog steeds. “Gaat niet zo goed hè, met u?” spreekt de agent naast me. Ik stop met rennen. “We gaan u meenemen naar het bureau.” Ze tillen me half overeind en slepen me aan mijn armen door de sneeuw. Mijn slappe benen zwabberen achter me aan. Ik word achterin een busje getild. In de bochten rol ik om en knal met mijn kop tegen iets hards. Alles draait. Ik kots en ik kots nog meer alsof mijn maag door mijn mond naar buiten komt.
Ik val neer op een betonnen vloer. Wit licht en een penetrante chloorlucht prikken in mijn ogen. Achter me slaat een zware deur dicht met een doffe ijzeren dreun. Ik kijk met troebele blik om me heen en zie alleen muren, alle in dezelfde, fletse, beige kleur. De vloer loopt af naar een gat in het midden, geen stoel, geen bed. Alleen beige. Ik haat beige.

Ik kom langzaam bij. Fel licht prikt in mijn ogen. Ik lig met mijn zere hoofd in een plas gele kots. Mijn gedachten draaien rondjes. “Waar ben ik? Wie ben ik? Waar ben ik? Wie ben ik?” Ik strompel overeind en slinger richting de deur. Ik voel een stekende pijn in mijn hoofd ontstaan alsof iemand een priem geleidelijk steeds verder in mijn schedel drukt. Op mijn achterhoofd voel ik een bult ter grootte van een pingpong bal. “Roy, je moet weg hier!” Ik begin hard met mijn laarzen tegen de deur te schoppen. Geen reactie. Godverdomme! Ik schop harder en bonk met mijn vuisten tot mijn handen en voeten zeer doen. “IK WIL ERUIT!” schreeuw ik mijn longen leeg. Ik proef de ijzeren smaak van bloed in mijn mond. Mijn hoofdpijn zwelt aan tot ik zwarte vlekken zie dansen op de muur.

Opeens zie ik, rechts naast de deur op ooghoogte, een speaker met een zwarte knop erboven. Ik druk erop.
“U wilt eruit meneer?” vraagt een krakende vrouwenstem.
“Ja graag,” antwoord ik verslagen.
“We komen eraan.”
Ik geef mijn naam en adres aan een agent achter een bureau. “Hoe kwam je nou zo dronken jongen?” vraagt de man in de deuropening als hij me uitlaat. “Als die mensen niet langs waren gelopen met hun hond en ons niet hadden gebeld, was je waarschijnlijk dood gevroren.”
“Ik was met vrienden op een verjaardagsfeest en dronk voor het eerst. Apeldoorns slokje. Kent u dat?”
“Nee.”
“Het drinkt als limonadesiroop, maar heeft 20% alcohol. En binnen was het snikheet en buiten min vijftien.”
Later hoor ik van de jongens dat ze van elkaar dachten dat ik in de andere taxi zat. En in de stad dachten ze dat ik naar huis was gegaan. Zij waren gewoon gaan stappen.

Misschien maakte ik niet dezelfde fouten als mijn vader. Fouten maakte ik genoeg…

Recent Posts

Leave a Comment

vijf × vier =