Marine (2)

 In Blog

“De West”..
Als ik op Curaçao uitstap weet ik meteen wat tropische hitte is. Het is donker als ik door de kerosine damp de vliegtuigtrap afloop de klamme nacht in. Ik voel me gelijk als Tarzan in de jungle. Als jongen van eenentwintig heb ik het gevoel dat ik de hemel op aarde heb gevonden.
Op de Marinebasis Parera word ik ingedeeld met mijn maten in het 1e peloton. We worden ondergebracht in een lange lage beige barak met mooie, rode pannen. Ik heb, met nog vijf man de laatste kamer. Daarin staan zes kasten en drie stapelbedden. Aan het plafond hangt een grote ventilator en op de vloer liggen gele plavuizen. Dit is voor de komende negen maanden mijn huis.
Ik ontmoet veel vrouwen en deze vrouwen zijn anders, warmer dan de vrouwen die ik tot nu toe heb ontmoet. Ook gaan mijn maten en ik veel naar Campo Alegre (CenA in de volksmond). Dit is een ommuurd, louche kamp, vlakbij het vliegveld Hato, met tachtig huisjes en twee bars waar de meisjes van plezier wonen. De meisjes komen uit Midden- en Zuid-Amerika en het Caraïbisch gebied op een toeristen visum naar Curaçao en mogen drie maanden blijven. In die tijd proberen ze zoveel mogelijk geld bij elkaar te sparen. De een is nog mooier en liever dan de ander. Ik ontmoet veel meisjes en ben vaak verliefd. Het zijn een soort van minirelaties. Dat gaat als volgt; ik zie een meisje dat ik leuk vind. We maken contact. Na een lach volgt een kort praatje. Even later gaan we naar haar huisje en bedrijven de liefde. We praten nog wat, er is geld, een zoen en dan ga ik er weer vandoor, terug naar mijn maten en ik ben weer vrij. In een avond een relatie beleefd. Tropenjaren tellen dubbel, hè. 😉
Ook ga ik met maten op vakantie naar Costa Rica, Aruba en Caracas. Ik geniet met volle teugen en ontmoet overal lieve vrouwen. Caracas was wel erg bizar. De hoofdstad van Venezuela was toen al een miljoenenstad. Ik geloofde mijn ogen niet. Voor mijn gevoel was Amsterdam een grote stad en Zuid-Amerika derde wereld met zandwegen, kleine huisjes en palmbomen. Nou, Amsterdam paste wel zeven keer in het moderne Caracas met zijn ontelbare hoge gebouwen, waar grote Amerikaanse sleeën reden, over in verdiepingen geschakelde snelwegen. Niks derde wereld.
We vielen op met onze blonde koppen en lichtgekleurde ogen. In Caracas had 99% van de mensen een donker uiterlijk; zwart haar bruine ogen, grijze huid. Ik heb meegemaakt dat meisjes me vroegen of ze mijn (geblondeerde) haar mochten aanraken. Ik vond het heerlijk, al die aandacht. Ik zie ons nog lopen met ons vieren over de drukke Sabana Grande, de lange winkelpromenade van Caracas. Waar ik ook keek in de massa ik keek altijd in een paar ogen. Mensen liepen eerbiedig om ons heen. We leken wel een bekende popgroep. Als we op een leeg terras gingen zitten was het in een mum van tijd druk om ons heen. We sliepen in het Hilton. Vriendinnetjes kon je gewoon meenemen zonder dat er vragen werden gesteld. Alles werd afgerekend in Bolivars. Een Antilliaanse gulden was vele duizenden Bolivars waard. Je kon er uit eten met zijn vieren met een zwerm obers om je tafel drie gangen etend voor nog geen dertig gulden omgerekend.
Na onze korte vakantie kwamen we terug op Curaçao en daar bleek dat we nog een week verlof tegoed hadden. Ik liep gelijk door naar het reisbureau en boekte voor meer Caracas-aandacht. Nu ging mijn maatje Theo, uit de barak, mee. Hij was altijd de laatste bij het aantreden en als we met het hele peloton op pad gingen, toch wel. De korporaal informeerde naar verloop van tijd alleen nog maar of Theo in de truck zat. Als het antwoord ja was gaf hij meteen orders te vertrekken. Theo had ook snel een vriendinnetje en hij hield haar erbij. We hadden nu een gids in de groep. Het meisje (ik weet haar naam niet meer), een lachebekje, sprak redelijk Engels en zag er nog goed uit ook. We sliepen nu in het andere Hilton op de 15e verdieping. Ik zal nooit vergeten hoe we op het balkon stonden en het meisje op de brede vensterbank ging liggen vlak bij de rand. Overal schijt aan, die kleine. In bed was ze net zo gek. Theo moest zeker drie keer per dag flink aan de bak. Aan het einde van de week was ie zo mager als een lat. In het peloton was hij onze “slome”. In Caracas was hij de artiest… 🙂
Strepen nat maken… In het midden van onze term werden we bevorderd. We kregen er allemaal een streep bij. Grote bakken met ijs werden onder de overkapping van het cafetaria klaargezet om er trays bier, flessen rum en cola in te koelen. ‘s Middags was het peloton, kader en manschappen, in kaki tenue in het caf aanwezig. De strepen moesten nat gemaakt worden. Na het voorlezen van een officieel schrijven uit Nederland door onze Luitenant mochten we de nieuwe strepen op onze schouders doen. Dit was een belangrijk moment in onze carrière, volgens de Luitenant. Iedereen kreeg een flesje Amstel aangereikt. De luitenant nam de marinier Kropman (de neus) als voorbeeld. Hij was bevorderd tot marinier der eerste klasse. Kropman moest op zijn knieën en de luitenant maakte met klotsen bier zijn strepen nat. “Mannen gefeliciteerd!”, riep hij. Wij moesten dit bij ons zelf doen en hieven op commando onze fles en riepen kort en krachtig: “PROOST!”
Nu was het zuipen geblazen. De leiding taaide af, maar wij, de manschappen gingen nog even door. De muziek ging op tien en iedereen zong uit volle borst mee met Hazes. “Een beeetje verlieefd, ik dacht een beeeetje verliefd, aaaaaaaaah”. Na een uur was iedereen zo zat als een bos uien. Er werd iemand op de schouders genomen precies onder een plafond ventilator. Hij knalde met zijn harses tegen een snel draaiend propellerblad. Mariniers hebben een harde kop, maar hij ging toch maar even naar de ziekenboeg. Er was bloed. Met een bandage om zijn kop en een paar hechtingen was hij al snel weer terug. Het zuipen ging door. Het Caf draaide in mijn hoofd. We stonden te pissen in plantenbakken en uiteindelijk droop iedereen af richting zijn mandje.
Even later werd ik wakker. Er was rumoer, er was iemand uit het bovenste bed gevallen. We snelden naar de middelste barak. Van der Laan lag gestrekt en roerloos met zijn hoofd in een grote plas bloed op de mooie glimmende gele plavuizen. Ik dacht eerst dat ie dood was. We brachten hem zo snel als het ging naar de ziekenboeg. Bij terugkomst op de kamer zagen we Theo in bed liggen in zijn kots en ontlasting. Met bed en al hebben we hem naar buiten gesleept de binnenplaats op. De lakens gingen in een afvalbak. Theo hebben we rechtop gezet in zijn blote reet onder de hete zon en met de brandslang afgespoeld. Net toen we hem schoon hadden hoorden we een enorme knal gevolgd door de gong van een klok. De neus had met zijn dronken kop zijn Amerikaanse slee rechtop tegen de kerkklok geparkeerd.
Het was een mooi feest geweest. Resultaat: twee man naar de ziekenboeg, een auto totalloss en alle planten van het Caf naar de knoppen. We zijn verder in onze tijd op Curaçao niet meer bevorderd. 😉
Op de wal ontmoet ik een Antilliaans meisje op Santa Barbara Beach. Ik ben betoverd door haar schoonheid, stap op haar af en begin een gesprek. Ik verdrink in haar amandelvormige ogen en val voor haar mooie onschuldige, ontwapenende lach. Reden om te lachen geef ik haar genoeg met mijn gestuntel om het gesprek op gang te houden. Ze helpt me en praat gezellig met me mee. Chelsea is met vriendinnen, ik ben met mijn maten. Ze stelt me voor. Nu ik geconfronteerd wordt met haar vriendinnen is de betovering verbroken en zwakt mijn zelfverzekerdheid af met de snelheid van een lichtkogel uit een MAG mitrailleur. Ik zeg doei en ga terug naar mijn maten die verderop liggen. Ik was nog wel zo snugger om haar nummer te vragen. Later spreken we af in Willemstad. Het voelt gelijk goed tussen ons.
Ze heeft een wit klein autootje waar ze me vaak mee komt ophalen van de basis. Ze is niet alleen heel erg mooi, maar ook super lief. Binnen de Marine worden we gewaarschuwd voor de Curaçaose meisjes. “Ze willen graag naar Nederland en zullen je verlaten zo gauw ze er zijn”. Ik geloof deze onzin en laat een week voor vertrek naar Nederland niks meer van me horen. Een laffe, domme daad. Werd ik ook hier gepusht door die onzichtbare kracht in mij? Die negatieve kracht, die angst om me te binden en mijn vrijheid te verliezen. We hadden nooit ruzie gehad en hadden het heel fijn samen. Misschien werd ik overmand door gevoelens als: “Hoe moet ik voor ons beide gaan zorgen?” Diep van binnen voelde ik me misschien niet in staat tot zo veel verantwoordelijkheid. Op het vliegveld Hato van Curaçao huil ik als het tijd is om terug te gaan naar Nederland. Deze negen maanden waren de mooiste van mijn leven…

Recent Posts

Leave a Comment

dertien + 20 =