De Marine

 In Blog

Voor volk en vaderland.. Van Amsterdam naar Rotterdam.. Qua Patet Orbis.. Na de hotelschool was het tijd voor het leger. In mijn jeugd was dit nog verplicht. Met je achttiende moest je dienen. Ik had een paar jaar uitstel gekregen, maar nu was ik aan de beurt. Terwijl hele volksstammen opkomen voor je nummer als verloren tijd beschouwden, had ik er juist zin in. Tot nu toe had ik me zelf grotendeels opgevoed. Misschien zou ik iets bijleren. Ik had op het formulier ingevuld dat ik bij de Marine wilde, om te varen. Op de keuring werd me gevraagd of ik me ook wilde laten keuren voor de mariniers. Dat leek hun echt iets voor mij: het stond voor spanning en avontuur. Ik had er nog nooit van gehoord, maar het was onderdeel van de marine dus ik zei ja.
Ik werd goed gekeurd en kwam op in Rotterdam bij de “van Ghent kazerne”. Ik moest eerst naar de kapper, die me in twee seconden met een tondeuse millimeterde. Lachend liep ik met mijn bijna kale kameraden naar de kledingafdeling. Met twee grote, zware plunjebalen vol kleding, petten en aanverwante zaken liep ik even later de slaapzaal in. Ik koos het onderste bed in een stalen stapelbed. Vanaf nu was ik de marinier tweede klas van Zanten nummer M084122.

JULLIE ZIJN VANAF NU MARINIER!” galmt het over de binnenplaats van de kazerne. “Jullie vallen dus onder de krijgstucht,” gaat de luitenant door. Hij stopt even met schreeuwen om zijn woorden goed tot ons door te laten dringen. Het is doodstil. We staan allemaal netjes opgesteld, op gelijke afstand van elkaar, zodat we de spreker goed kunnen zien en verstaan. Een lauwe herfstzon komt door de witte wolken en prikt in mijn ogen. In de verte hoor ik vogeltjes fluiten. Ik ga mijn land dienen. Dat maakt indruk op me. Ik zit nu in een goed en strak georganiseerd leger waar blindelings orders worden opgevolgd en waar we met serieuze zaken bezig zijn. Nu stellen we nog niet veel voor. Eerst moeten we voor de opleiding slagen en dan kunnen we worden ingezet bij operaties over de hele wereld. “Qua patet orbis!” Als de speech voorbij is mogen we gaan. Ingerukt mars..

We slapen in stapelbedden in een langwerpige, holle zaal met een linoleum vloer en hoog plafond. Met plusminus tachtig man. De bedden zijn met kasten van elkaar gescheiden. Mijn buddy is Leo. We lachen ons kapot. Leo is net als ik sportman. Hij is voetballer en een goede loper. Bij de Cooper test haalt dat kleine mannetje makkelijk 3800 meter. Verder heeft hij een enorme energie en een goed gevoel voor humor. Hij praat aan een stuk door, mijn kleine Rotterdamse maat, soms vijf kwartier in een uur.
We volgen de opleiding en hebben de zekerheid dat allen die slagen uitgezonden worden voor negen maanden naar Curaçao. YES! Daar wordt ik heel blij van en ik ben super gemotiveerd om het tot het einde vol te houden. Zelfs nog verder.
Ik zit in een goede bak, wat meteen duidelijk wordt op de eerste bivak. Als enige groep halen we in een keer de gestelde tijd voor de boomstammenrace. We worden getrakteerd op soep, terwijl andere groepen net zo lang door moeten gaan tot zij ook het gestelde doel binnen de tijd halen. Eenlingen tellen niet bij de mariniers. Het korps heeft een buddy systeem. Het draait om samenwerken en uithoudings-vermogen. Dat komt vooral tot uiting in je slaapverblijf in het veld, het zogenaamde pubtentje. Een marinier heeft een zeiltje en een stok in zijn bepakking, die hij samen met een tweede zeiltje en stok van zijn buddy tot tent kan knopen. Terwijl wij al in de slaapzak liggen, horen we de stem van de korporaal door de donkere nacht galmen en de andere groepen aanmoedigen.
We doorlopen alle bivakken met glans. Iedereen in ons groepje heeft een bijnaam. Leo heet “dikke Leo” of “Don Leo” ik heet “Marinier zandzak”, Mario de Wit heet “Super Mario”, Kropman heet “De Neus”, hij heeft een enorme gok, ook beneden is hij goed ontwikkeld (hij heeft de grootste van ons allemaal). Van Strik is “De Vlugge”. Corné is “De Skunk”, wat kan die gozer stinken. We lachen ons suf, om de meest flauwe grappen en stoerdoenerij met onze uniformen, wapens en kleding of om onze sergeant met zijn flaporen en houterige manier van lopen. Dat militaire gedoe wordt allemaal zo serieus genomen. Prachtig, die afgestompte opmerkingen als; bloed moet, vastwerken, in rotten van vier, blauwe hap, verpest in de west, vast vuren treffers opnemen, pak er maar twintig (push ups).
Bij het verdedigingsbivak moesten we een schuttersput graven voor twee personen. Een man slaapt, de ander houdt de wacht, is het idee. De korporaal spreekt ons toe en legt uit hoe je een put graaft en moet stutten. Het klinkt als een heel karwei. Hij sluit af met de woorden; “mannen jullie hebben mazzel vandaag, want jullie putten liggen er al”. We kijken elkaar blij verrast aan, maar zoals altijd zit er een adder onder het gras. De korporaal gaat met een overdreven sadistische toon in zijn stem en glimlachend door; “jullie hoeven ze alleen nog maar leeg te scheppen”. En zo ging het altijd. Er was altijd een onverwachte taak, iets extra’s, een extra rondje, de hindernisbaan, nog een keer, push ups voor de sergeant, een kapotte truck en dus speedmarsen terug. We raakten er aan gewend en onze fysieke en mentale weerbaarheid groeide. Je stelde je er op in dat er altijd een extraatje was. Het was pas klaar als je klaar was. En dan nog was je niet zeker van je zaak. In het veld werden we constant opgejaagd, ‘s nachts wakker gemaakt voor verplaatsingen (“de vijand komt eraan. Inpakken en aantreden”), gedrild en moe gemaakt. We verlegden constant grenzen. Als je dacht dat je echt niet meer kon, had je steeds nog weer ergens een reserve waardoor je verder kon. Afvallen was voor watjes en watjes gingen niet naar Curacao. We moesten veel lopen of eigenlijk marsen. Lopen is voor burgers. Speedmarsen met volle bepakking, daar hield onze sergeant (een marathonloper) van, dan wissel je hardlopen af met wandelen, met twintig kilo op je rug.
Het hoorde er allemaal bij. We werden tenslotte opgeleid tot mariniers en niet om te werken aan de lopende band in de koekjesfabriek. Het motto van de marinier is: “Een marinier kan alles”. Dat werd ons net zo vaak verteld totdat we het geloofden.
Ook schoten we veel met ons persoonlijke wapen, de FAL, een semi automatisch geweer. Elk wapen had een nummer en iedereen had dus zijn eigen geweer waar hij verantwoordelijk voor was tijdens de opleiding. Je moest het altijd bij je hebben in het veld; bij het eten, het koken en bij het schijten. ‘s Nachts sliep je er mee. Het was je beste vriend, zeg maar, maar daar had onze korporaal ook weer een leuke theorie over. Hij zei of schreeuwde altijd naar iedereen die het maar wilde horen; ”Vrienden? Wat nou vrienden? Jullie hebben maar een vriend en die zit in je broek en als je hem in de hand neemt blijkt hij nog een LUL te zijn ook!” Wisten we dat ook weer. Op een andere bivak mochten we met onze FAL en met andere wapens met scherp schieten. Oordoppen in en gas op die lolly! We gingen aan de slag met mortieren, mochten handgranaten gooien, een anti tank raket lanceren vanaf onze schouder en als laatste mochten we schieten met de MAG. Deze mitrailleur van elf kilo op een driepoot werd bediend door twee man. Hij spuugt de kogels die aangevoerd werden op een band met een duizelingwekkende snelheid door de loop naar buiten. Tot ruim 600 kogels per minuut en naar doelen op 800 meter afstand. We schoten ook ‘s nachts met de MAG met speciale munitie met om de vijf patronen een lichtkogel. Dan weet je niet wat je ziet. Of eigenlijk juist wel. Dankzij die lichtkogels kan je op je doel richten en bijsturen aangezien je die kogels als lichtpuntjes naar voren ziet vliegen over de vlakte en dus ziet waar ze inslaan. Wat vlogen die bullets snel door de donkere nacht.
De opleiding duurde vier maanden. Ik zorgde dat ik er zonder blessures en problemen doorheen kwam en naar Curaçao mocht. De blauwe KLM vogel bracht ons naar de Caribe. De adrenaline gierde door mijn lichaam. Ik vloog voor het eerst in mijn leven naar de overkant van de grote oceaan.
..

wordt vervolgd

Recent Posts

Leave a Comment

zestien + 10 =